zondag 5 juni 2011

Luilak

Volgens het XYZ van Amsterdam is Luilak een feest waarbij iedereen die niet vroeg genoeg opstond om voor dag en dauw mee te gaan voor Luilak uitgescholden werd en moest trakteren. De Amsterdamse Luilak was meer een ochtend waarop de jeugd vrij was de Amsterdamse bevolking in alle vroegte uit bed te bellen, uit bed te jagen door heidens kabaal te maken.
Een van de liedjes die traditioneel bij Luilak wordt gezongen, is:
"Luilak, beddezak.
Staat om negen uren op.
Negen uren, hallef tien,
heb je die luilak al gezien?".

Luilak betekende vooral belletje trekken, fikkie stoken en lawaai maken met blikken en pannen, maar in sommige Amsterdamse volksbuurten had de politie op de zaterdag voor Pinksteren zijn handen vol aan jonge rebellen. Tot eind jaren ’70, begin jaren ’80 van de 19e eeuw. In de jaren ’30 van de 20ste eeuw zien we een herleving van het heidense gebruik, totdat in de jaren ’50 en ’60 de Luilakvieringen grimmiger worden.
Tegenwoordig wordt Luilak, een niet-Christelijk feest, nog alleen in de kop van Noord-Holland gevierd op de zaterdag voor Pinksteren.
Maar waar komt Luilak vandaan?
Net als Hartjesdag en Sint Maartensdag moet de oorsprong van Luilak gezocht worden in oude, heidense gewoonten. Zoals ook het Kerstfeest in de plaats van het grote Joelfeest, ter ere van de onoverwonnen zon, kwam. Onze Christelijke voorvaders hebben zo ook het Pinksterfeest geïntroduceerd om het heidense Meifeest te vervangen ter ere van de weer ontwaakte natuur.
Luilak wordt dan ook gevierd op het moment dat de natuur weer tot bloei komt en menig huisvrouw de “Grote Schoonmaak” voor de boeg heeft. Kortom, er moest flink worden aangepakt. Langslapers en laatkomers werden daarom door de jeugd bespot en bestraft. Zij werden met lawaai gewekt of moesten trakteren.
In de jaren dertig van de 20ste eeuw wordt in verschillende krantenartikelen betreurd dat de luilakviering zo goed als vergeten is. Er worden pogingen gedaan om de traditie in ere te herstellen en daarbij de vroegere excessen in de volksbuurten te vermijden. Mede door deze initiatieven neemt de viering weer toe. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog wordt luilak op een tamelijk onschuldige manier gevierd door veel Amsterdamse kinderen, die met “groenteblikken, oude fluitketels en ander geraasmakend materiaal door de straten trekken”.
De klachten over baldadigheid nemen gestaag toe. Tot halverwege de jaren vijftig gaat het daarbij om dichtgebonden huisdeuren, brievenbusbrandjes, kapotte ruiten, bekraste auto’s en in brand gestoken autobanden. Er wordt in die jaren ook nog wel op positieve toon over luilak geschreven. Trouw schrijft in 1956: “Iedere jongen heeft naar hartelust zijn kwajongensstreken kunnen botvieren. Minutenlang mocht hij zijn vinger op een bel houden en de brievenbus luid laten klepperen, alleen omdat het luilak was. Geen agent, zelfs geen ‘kwaaie’ haalde het in zijn hoofd er iets van te zeggen.”
De ernstigste ongeregeldheden concentreren zich in de jaren zestig op een aantal vaste plekken, die niet alleen in de volksbuurten liggen. Berucht zijn het Bos en Lommerplein, de Jan Pieter Heijestraat bij de Jacob van Lennepkade, de Rooseveltlaan bij de Waalstraat, de Van Woustraat bij de Albert Cuypstraat – waar jaarlijks de tramrails worden gebarricadeerd – en de Beethovenstraat hoek Gerrit van der Veenstraat.
Waarom werden de Luilakvieringen grimmiger?
Drie onderzoekers interviewden de kinderen. Een groot deel komt er ieder jaar “omdat er altijd iets te gebeuren is”. Ze zijn tussen de acht en achttien jaar en komen uit de buurt zelf. Er is steeds een ploeg van ongeveer honderd jongeren aanwezig, waaronder hooguit tien meisjes. Het verloop is groot; teleurgestelden verlaten het strijdperk. Alle kinderen zijn het erover eens dat het vorig jaar leuker was “want toen werden we achterna gezeten door de motorpolitie”. Het rapport concludeert: “de waardering die de deelnemers hebben voor deze en vroegere luilakvieringen, is steeds gesteld in termen van politieoptreden. Typerend is het gejuich dat opgaat zodra de politie na afzijdigheid gaat optreden”. De onderzoeksgroep constateert dat er geen sprake is van het afreageren van opgekropte vijandschap of ontevredenheid, maar veel meer van een kat-en-muisspel, waarbij men hoopt dat door een kleine daad de politie overgaat tot tegenactie.
Hier zie ik parallellen met de tegenwoordige vieringen van bijvoorbeeld een kampioenschap van onze Amsterdamse trots Ajax. Ook hier zie je dat men op zoek is naar een confrontatie met de plaatselijke autoriteiten. Waar de jongeren vroeger de noodzaak hadden om de grenzen van de tolerantie van ouderen te verkennen, is dat tegenwoordig grotendeels verdwenen. Kinderen van nu hebben veel meer vrijheden. Je zou denken dat de behoefte aan confrontatie daarmee minder is geworden.
Ik ben nog op zoek naar leuke Luilakverhalen. Mocht u ze willen delen dan kan dat door te reageren op dit verhaal. Bij voorbaat dank.
Voor een artikel in Ons Amsterdam, mei 2003, Luilak Beddezak; klik hier.

woensdag 4 mei 2011

Wandelen door de joodse Plantagebuurt

Onderweg besteden we aandacht aan monumenten, interessante gebouwen en adressen in relatie tot de jaren 1940-1945. Dit gebied is niet zo maar gekozen. Dit gebied ligt in de voormalige joodse buurt van Amsterdam.
We beginnen bij het Verzetsmuseum, schuin tegenover de ingang van Artis.
  1.       Gebouw Plancius – Plantage Kerklaan 61
Aanvankelijk was gebouw Plancius (anno 1876) een sociëteitsgebouw annex zalencentrum, gesticht door de joodse zangvereniging "Oefening Baart Kunst". De zangvereniging maakte er tot 1894 gebruik van. Het was een bekend vergaderadres van het opkomende socialisme. Van 1915 tot 1993 diende het, na een verbouwing en uitbreiding, als bedrijfspand. Eerst was het een garage voor taxi's (ARM, de Amsterdamsche Rijtuig Maatschappij). Gedurende de jaren 1944-1945 gebruikte de Duitse bezetter het gebouw om er een aantal voertuigen in te stallen. Van 1970 tot 1993 was het gebouw een stalling van de ongevallendienst van de verkeerspolitie. Vanaf 1 mei 1999 werd het Verzetsmuseum voor publiek geopend.

Loop van gebouw Plancius door Plantage Kerklaan naar hoek Henri Polaklaan (met de rug naar het museum naar rechts) naar de hoofdingang van Artis.

2.       Dierentuin Artis
Aan de overkant is de ingang van ARTIS (opgericht in 1838). De dierentuin is gedurende de hele oorlog voor het publiek geopend gebleven (vanaf september 1941 was het joden verboden om o.a. Artis te bezoeken, terwijl die er juist heel graag kwamen). Het topjaar was 1943. De Duitse bezetter vond dierentuinen een goed middel om de mensen op te voeden: daar konden ze leren dat vooral de sterkste dieren en rassen overleven. (De Duitsers vonden zichzelf Germaans of Arisch en dus het beste mensenras en de joden vonden ze minderwaardig. Logisch dus dat die niet zouden overleven .... dat was immers de natuur). In Artis kwamen ook vaak Duitse soldaten. Zo konden de Nederlanders zien dat ze gewoon heel aardig waren. Dat is opvallend, zeker gezien het feit dat er gedurende de bezettingsjaren zo’n 150 a 300 onderduikers in Artis aanwezig waren, onder wie een aantal joden. Ook verstopten vooral joden zich tijdens razzia's in de dierentuin, bijvoorbeeld in de apenrots. De rots was over het water te bereiken met een loopplank. De joden verstopten zich in de holle rots en de plank werd weer snel weggehaald. Was de razzia voorbij dan konden de mensen weer weg. In Artis zelf is nooit een razzia geweest.

Joods Amsterdam had een bijzondere bond met Artis, wat altijd goed te zien was door de drukte op sabbat en joodse feestdagen. Alleen al door dit aspect zou de Duitse bezetting voor Artis een ingrijpende aangelegenheid worden. Dat bleek al meteen op 15 mei 1940, toen de Duitse bezetting een feit was. Die dag pleegde dr. E.Boekman, een bestuurslid van Artis, samen met zijn vrouw zelfmoord. Hij was een van de bekendste joden van Amsterdam.

Artis is één keer in acuut gevaar geweest: in de nacht van 13 op 14 juli 1941 bestookten geallieerde vliegtuigen het spooremplacement aan de Doklaan met brandbommen, waarbij ook Artis werd getroffen. Gebouwen vatten vlam en onder de dieren dreigde paniek uit te breken. Het liep allemaal net goed af.
Het toenemende gebrek aan voedsel en brandstof leverde - vooral in de hongerwinter van 1944/45 - zeer grote problemen op. De vindingrijke directeur Sunier wist er steeds weer wat op te vinden, bijvoorbeeld door de dieren ander voedsel te geven. In de hongerwinter kregen de leeuwen zelfs stokvis. Als je een rat (lekker en voedzaam) naar Artis bracht kreeg je 5 cent. Ook bleek het voer soms te aanlokkelijk voor het hongerige publiek. Begin 1945 slachtten indringers een van de twee varkens op de kinderboerderij en namen het mee. Kinderen jatten het brood van de beren. Met een lange stok met een spijker eraan
trokken ze het brood door de tralies naar zich toe.

Steek de straat over de Henri Polaklaan in.

Deze laan heette eerst Plantage Franschelaan en werd in november 1945 genoemd naar Henri Polak (1868-1943). Deze joodse Amsterdammer heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de socialistische arbeidersbeweging. Polak was onder meer oprichter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) en van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP)

3.       Hersteld Apostolische Gemeente – Henri Polaklaan
Aan uw linkerhand, op nr. 34-42, bevindt zich het voormalige kerkgebouw van de Hersteld Apostolische Gemeente uit 1912. Het gebouw is ontworpen door architect H.F. Sijmons.

Steek over naar de overkant

4.       Woning opperrabijn Nederlandse-Israelitische Hoofdsynagoge Amsterdam – Henri Polaklaan
Aan de andere kant van de straat op nr. 17 woonde L.H. Sarlouis, van 1936 tot 1942 de opperrabijn van de Nederlandse-Israelitische Hoofdsynagoge Amsterdam. In die hoedanigheid was hij geestelijk leider van verreweg de grootste groep orthodoxe joden. Sarlouis werkte in 1941 mee aan de vorming van de omstreden Joodsche Raad. Deze Joodsche Raad heeft van 13 februari 1941 tot eind september 1943 bestaan. Sarlouis zou de oorlog niet overleven.

We gaan weer naar de overkant en vervolg uw weg tot u huisnummer 12A/B bereikt.
5.       Portugees-Israelitisch Ziekenhuis (PIZ) – Henri Polaklaan
Het voormalig Portugees-Israelitisch Ziekenhuis (PIZ) dateert uit 1916. Boven de deur zit een reliëf: een pelikaan die haar drie jongen voedt met haar eigen bloed. Dit is het door de Portugees-joodse gemeente gehanteerde symbool van liefdadigheid.
In 1943 stelde de Duitse bezetter een aantal van de ruim 8600 Nederlandse gemengd gehuwde joden voor de keus: sterilisatie of deportatie. Dergelijke sterilisaties werden in dit ziekenhuis uitgevoerd. Deze gesteriliseerde joden werden ‘ontstert’; ze hoefden de gele Davidsster niet te dragen. In deze tijd werden door artsen veel valse onvruchtbaarheids-verklaringen uitgereikt.


6.       Nationaal Vakbondsmuseum – Henri Polaklaan
Tegenover het PIZ ziet u een groot gebouw met een brede stenen trap naar de ingang. Hier pal tegenover bevindt zich sinds 1991 het. Dit pand uit 1900, oorspronkelijk het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers bond (ANDB) kan je zien als een drievoudig monument. Ten eerste is het een bijzonder bouwwerk van de idealistische architect Berlage, ten tweede een blijvende herinnering aan de joodse diamant-bewerkers en hun voorman Henri Polak, en ten derde de eerste 'burcht' van de Nederlandse sociaal-democratie.
Het mooiste moment beleefde dit gebouw in november 1919, toen de bond op grootscheepse wijze zijn vijfentwintigjarig bestaan vierde. ‘De Burcht’ was met honderden lampjes verlicht.

U loopt nu de Henri Polaklaan uit tot aan de Plantage Parklaan. Wanneer u oversteekt en uw weg vervolgt naar links, nadert u de ingang van het:

7.       Wertheim Park
Het park is aangelegd ter ere van de joodse bankier en weldoener A. C. Wertheim (1832-1897). De sfinxen bij de parkingang zijn in 1982 geplaatst, ter vervanging van negentiende eeuwse exemplaren. De oude sfinxen, van tin, waren inmiddels wegens slijtage verwijderd.
Voorbij de ingang van het park komt u via het voetpad links uit bij een fontein met
randschrift, het Wertheimmonument uit 1898. Even later bereikt u het monument 'NOOIT MEER AUSCHWITZ' gemaakt door Jan Wolkers, gemaakt in opdracht van het Nederlands Auschwitz Comité. Lees het tekstbord bij het monument met een toelichting van Jan Wolkers. Dit monument is al drie keer (zwaar) beschadigd geraakt.

U verlaat het park via dezelfde manier als hoe u er in bent gekomen. U gaat naar rechts en steekt de weg over. Aan de overkant van de weg gaat u naar links. U bevindt zich nu op de Plantage Middenlaan.

8.       Desmet Studio’s Amsterdam – Plantage Middenlaan 4A
De Art Deco-gevel van Desmet herinnert aan het Rika Hoppertheater, dat werd geopend in 1927. In 1938, in het geboortejaar van koningin Beatrix, kwam er iets nieuws: het Beatrixtheater. Prominente, uit Duitsland gevluchte joodse artiesten brachten er revues en cabaret. Exclusief joods werd het theater in september 1941, toen de Duitse bezetter rigoureus de scheiding tussen joden en niet-joden doorvoerde.  Theo Desmet kocht het pand in 1946 en maakte er een bioscoop van.
Vanaf 2001 bevinden zich twee TV-studio's, zes geluidsstudio's en een eigen studiocafé in het voormalige theater. Er worden dagelijks meerdere radio- en TV-uitzendingen opgenomen of live uitgezonden. Voor de publieke omroep worden wekelijks circa 50 radio-uitzendingen of gedeelten daarvan verzorgd. Een aantal programma's is gratis toegankelijk voor publiek

Een van de beruchtste Jodenvervolgers Aus der Funten, ging vaak in burgerkleding naar het theater om naar zijn favoriete joodse artiest Willy Rosen te kijken. Toch moest het theater in 1942 zijn deuren sluiten.


9.       Dansschool van Dop en Mona Helms – Plantage Middenlaan 19
Aan de overkant van de straat komt u langs huisnummer 19 wat nu een garage is.
Vroeger bevond zich hier de populaire dansschool van het echtpaar Dop en Mona Helms.
Dop en Mona Helms boden tijdens de Duitse bezetting hulp aan onderduikers. Na zijn arrestatie in juni 1942 werd hij zwaar mishandeld, maar hij liet niets los.
Hij stierf begin 1943, na mishandeling in de gevangenis. Zijn vrouw zette op clandestiene basis de dansschool voort. Door haar toedoen bleef de dansschool tot de bevrijding een verzetsadres, eerst als onderduikplaats, tenslotte als wapenopslag en wapeninstructieruimte van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) .

In 1942 moesten dansschoolhouders zich aansluiten bij de Kultuurkamer, een instelling die als doel had om de cultuur onder Nationaal Socialistische vlag te brengen. Mona Helms weigerde en ging clandestien verder. Het dansinstituut is tot 1954 blijven bestaan.

10.   Hollandsche Schouwburg  – Plantage Middenlaan 24
De Plantage was echt een theaterbuurt. Als schouwburg hield dit pand in juli 1942 op te bestaan. Het had toen vijftig jaar van afwisselend theaterleven achter de rug. In oktober 1941 was het de Joodse Schouwburg gaan heten, 'uitsluitend toegankelijk voor joods publiek'. Tenslotte waren er alleen nog matinees. Dat kon niet anders - joden moesten al
om acht uur 's avonds weer terug zijn in hun woning, met de tram reizen mochten ze niet meer, en hun fietsen hadden ze moeten inleveren.
In september 1942 kreeg de schouwburg de functie van doorgangshuis bij de massale jodendeportaties. Met strozakken werden er slaapplaatsen ingericht. Van de 140.000 joden in Nederland (1940) werden er meer dan 100.000 vermoord. Via de Hollandsche Schouwburg zijn in 1942 en 1943 circa 70.000 joden op transport gesteld. De reis per trein voerde van Amsterdam eerst naar een verzamelplaats elders in Nederland, meestal kamp Westerbork in Drenthe, soms kamp Vught in Noord-Brabant. Daarna volgde voor de grote meerderheid van de gevangen joden het traject naar de vernietigingskampen Auschwitz of Sobibor.

De Hollandsche Schouwburg was ontworpen door de architect C.A. Bombach in de Internationale Stijl van die tijd, een soort Classicisme. Op het dak stonden een rij beelden, van de Griekse god Apollo en vier van zijn muzen.

Na de oorlog waren er plannen om het gebouw weer zijn oude functie terug te geven. Er was zelfs al een naam: Piccadilly. Een actiegroep zorgde er voor dat dit niet doorging. Het zou echter nog tot 1958 duren voordat er een monument van de Hollandsche Schouwburg werd gemaakt. De schouwburg is nu een gedenkplaats met o.m. een eeuwige vlam en een namenwand met alle 6.700 familienamen van de uit Nederland gedeporteerde en vermoorde joden.
Het kleurige gebouw van Aldo van Eyck aan de overkant is in de plaats gekomen van het oude Talmoed Toragebouw dat hier tot 1976 heeft gestaan. Hier werden ooit joodse godsdienstlessen verzorgd. In de jaren ´20 van de vorige eeuw werd dit het adres van de Joodse Kindercrèche Huize Henriëtte.

Jonge joodse kinderen werden in 1942-1943 in de Hollandsche Schouwburg gescheiden van hun ouders en overgebracht naar de Kindercrèche. Functionarissen van de Joodsche Raad probeerde via allerlei wegen zoveel mogelijk kinderlevens te redden. Veel van deze joodse kinderen zijn in de handen van verschillende verzetsgroepen beland en hebben op deze manier de oorlog overleefd. Een belangrijke rol in dit reddingswerk had schouwburgdirecteur Walter Suskind.

11.   Hervormde Kweekschool voor Onderwijzers – Plantage Middenlaan 27
Aan de gevel bevindt zich een plaquette “Aan allen die hebben geholpen joodse kinderen voor deportatie te behoeden”.
In deze school en crèche bevonden zich veel joodse peuters en kleuters. Regelmatig bezocht ene Theo de Bruin de school. Precies op het moment dat er een tram tussen de voortdurend bewaakte schouwburg en de kweekschool doorreed kwam hij weer naar buiten, met enkele kinderen uit de slaapzaal. Dit geschiedde met volledige medewerking van kweekschooldirecteur Johan van Hulst.

Theo de Bruin heette eigenlijk Joop Woortman en kort voor de bevrijding is hij in concentratiekamp Bergen-Belsen vermoord. Burgemeester Ed van Thijn verrichte in 1992 de plechtige onthulling van het Joop Woortmanplein in Amsterdam Osdorp. Voormalig burgemeester Ed van Thijn was één van deze peuters die door Joop Woortman in 1943 zijn gered.

12.   Bevolkingsregister van Amsterdam – Plantage kerklaan 36
Rechts naast Artis-ingang: het gebouw met het lage middengedeelte. De zolderverdieping ontbreekt sinds 1943, de afscheiding van het schuine dak is nog te zien. In dit gebouw, waar nu het Artis Geologisch Museum zich bevindt, was tot 1968 het bevolkingsregister gevestigd. In het bevolkingsregister stond je naam, waar je woonde en je geloof. Alle gegevens van alle mensen in de gemeente Amsterdam werden in grote kaartenbakken bewaard. Zo kon de Duitse bezetter precies zien waar joden woonden of waar jonge mannen woonden die
moesten gaan werken in de fabrieken in Duitsland. Onderduiken was ook extra moeilijk omdat van elk huis bekend was wie er woonde.
Op 27 maart 1943 stak een groep verzetsmensen hier de brand in. De brandweer talmde met blussen, en bluste daarna overvloedig. Het kaartsysteem was na de brand bijna helemaal verkoold, doorweekt en door elkaar gegooid.
Op de plaquette rechts naast de ingang staan de namen van de verzetsmensen die na enige tijd gepakt zijn en doodgeschoten. Gerrit van der Veen (beeldhouwer en verzetsman) was ook bij de daders. Hij is toen gewond geraakt maar heeft kunnen ontsnappen en is pas later gepakt en geëxecuteerd vanwege zijn verzetswerk.

De meeste daders van deze aanslag werden gearresteerd, als gevolg van verraad. Het gezelschap was zeer divers: kunstenaars, medici, een architect, een hispanoloog en een kleermaker. Enkele waren joods. Het proces tegen de groep werd gevoerd op 18 juni 1943 voor het SS- und Polizeigericht in het huidige Tropenmuseum. De saamhorigheid in deze groep was groot. Hier is heimelijk verslag van gemaakt door medeverdachte Yvo Pannenkoek.

dinsdag 3 mei 2011

Zwarte Soldaten in Amsterdam

Nog steeds maalt de documentaire van de NCRV van gisterenavond door mijn hoofd. Nederlanders in dienst van de SS - Zwarte Soldaten. Zes Nederlandse mannen die vrijwillig voor de Duitse SS hebben gekozen. Uit de documentaire blijkt dat er 25.000 waren en het blijkt dat zij er geen enkele spijt van hebben.
De timing van de documentaire komt ook op een goed moment. Enerzijds vanwege het herdenkingsmoment 4-5 mei, anderzijds vanwege de politieke situatie waarin Nederland zich anno 2011 bevindt.
L'histoire se répète en laten wij nou net in de gelegenheid zijn om dat te voorkomen. Laten we hopen dat dat het doel is geweest van deze indringende documentaire. Laten we vooral dit soort documentaires blijven uitzenden om iedereen er van te laten doordringen, dat wat deze zes mannen is overkomen, iedereen kan overkomen.
In Amsterdam was de bekende Hendrik Koot een plaag voor onze joodse Amsterdammers. Een van de vele vechtpartijen tussen Amsterdamse WA'ers en joodse knokploegen kostte in februari 1941 de nationaalsocialist Hendrik Koot het Leven. Prompt maakte de NSB van hem een martelaar en al snel volgden de eerste razzia's. Koot maakte op die voor hem noodlottige dag deel uit van een grote groep gewelddadige WA'ers. Wat was hun leefwereld? Lees hier!
Wat voor mensen werden eigenlijk lid van de NSB en wat trok hen aan in die beweging? Wat betekende het lidmaatschap voor het contact met familieleden, vrienden en buren? En hoe was de sfeer binnen de partij?  Hier woont een NSB'er gaat over het dagelijks leven van 'gewone' Amsterdamse NSB'ers tijdens de oorlog.

vrijdag 15 april 2011

Een originele Haring

Gisteren stond er in Het Parool een artikel over een enorme muurschildering van kunstenaar Keith Haring. De kans bestaat namelijk dat dit culturele erfgoed aan de Jan van Galenstraat binnenkort gaat verdwijnen.

dinsdag 12 april 2011

De behartigers van Amsterdam

Het Genootschap Amstelodamum zet zich in voor onderzoek naar de Amsterdamse geschiedenis en stimuleert de discussie over toekomst van de stad. Tal van deskundigen doen in het maandblad en het jaarboek van het genootschap verslag van nieuwe vondsten of inzichten.
Het Genootschap Amstelodamum geeft ieder jaar vier keer een kwartaalblad uit en eenmaal een jaarboek. Ieder nummer van het Maandblad beslaat 48 pagina's en bevat zo'n vijf artikelen die allemaal zeer verschillende onderwerpen behandelen. In het Maandblad wordt ook ieder kwartaal aandacht besteed aan actuele kwesties, recent verschenen boeken en tentoonstellingen.
Zojuist is weer een nieuw jaarboek uitgekomen. Gijs van der Ham publiceert hierin zijn artikel over Isaac Pontanus (1627-1710) en Hendrik van Beek (1680-1718): ‘De dominee en zijn kleinzoon. Verhaal van een familie’. Het omslagartikel is van Olga Ruitenbeek: ‘Vrouweneer en het gebruik van geweld door de Amsterdamse volksvrouwen (1811-1838)’.
De relatief onbekende architect Robertus van Zoelen (1812-1869) wordt beschreven door Thomas H. von der Dunk.
Verder in dit jaarboek artikelen over De Salons des Variétés van Amsterdam en hun publiek 1839-1854 (door Jan Tervoort),\ en de stadsuitbreiding rond 1900 en het vestigingspatroon van de detailhandel (door Clé Lesger).
Het kwartaalblad Amstelodamum heeft dit kwartaal de volgende inhoud:
Herberg Het Orgeltje
In de nalatenschap van fotograaf Jacob Olie bevond zich onder meer een tekening van de voormalige herberg Het Orgeltje. Nadat deze in 1971 bij het Gemeentearchief was terechtgekomen, stelde juffrouw Van Eeghen aan de lezers van het Maandblad Amstelodamum de vraag waar de herberg precies had gestaan. Fred van Kooij zocht het uit en geeft in dit maandblad het antwoord.
Reiniging en herstel van de buitengevels van het Koninklijk Paleis op de Dam.
Wilem van Bennekom was aanwezig bij het debat dat plaatsvond tijdens het tweede colloquium over de kwestie en doet verslag.
Schilderachtig Borssenburg
In 2010 verwierf de National Gallery of Art in Washington een voorheen onbekend wintergezicht door Adam van Breen uit 1611. Afgebeeld op het schilderij, zo blijkt, is de Amstel met Amsterdam aan de einder. Rozemarijn Landsman onderzocht het doek nader en concludeert dat een opmerkelijk gebouw op de oever geïdentificeerd kan worden als de hofstede Borssenburg. Deze hofstede was van 1596 tot 1613 in bezit van koopman Abraham Verbeeck, die waarschijnlijk de opdrachtgever voor het schilderij geweest.

Het onverwachte gelijk van Van Eesteren. Buurtwinkels in Slotermeer tussen 1953 en 2011
In 2001 presenteerden de gemeente Amsterdam en de samenwerkende woningbouwverenigingen een plan voor de ingrijpende stedelijke vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden: Richting Parkstad 2015. Tijdens de laatste fase zou Slotermeer aan de beurt komen, maar door de crisis in de woningmarkt is het vernieuwingsproces grotendeels gestopt. Dit biedt een goed moment om stil te staan bij de (bedreigde) historische waarden van de wijk. In het artikel van Reinout Klaarenbeek staan de buurtwinkels in Slotermeer centraal.
Verder oa: Het Amsterdam van Henk van Nierop en recensies van Hausbau in Holland. Baugeschichte und Stadtentwicklung, D'Ailly's Historische gids van Amsterdam. Stadsuitbreidingen 1860-1935 en Covens & Mortier. A Map Publishing house in Amsterdam 1685-1866.

vrijdag 8 april 2011

Actie Actie Actie

Iedere 50e volger van mijn blog ontvangt een gratis exemplaar van het boek Rondom ‘t IJ ter waarde van €18,50.

Voor meer informatie over het boek: http://www.amsterdamboeken.nl/amsterdam_boeken/stad/noord/nieuw/hetijrondom.html

donderdag 7 april 2011

Met de Noord/Zuid lijn naar Amsterdamse buurtwinkels

Nog niet helemaal. De Noord/Zuid lijn is er (nog) niet en buurtwinkels zijn verdwijnend. Toekomst en nostalgie, dat is wat deze twee boeken karakteriseert.
Het wonder van de Noord/Zuidlijn
Journalist Bas Soetenhorst (1966) volgt voor Het Parool al enkele jaren de gebeurtenissen rondom de Noord/Zuidlijn.
1,4 miljard euro zou het kosten. Amsterdam betaalde 317 miljoen, het Rijk de rest. De stad zou er nauwelijks hinder van ondervinden en in 2011 zou de metro rijden. Zo luidden de afspraken in 2002. Inmiddels hangt de vlag er heel anders bij. De teller staat op 3,1 miljard, de Amsterdamse bijdrage is meer dan vervijfvoudigd en de ingebruikname is op zijn vroegst in het najaar van 2017. De Noord/Zuidlijn staat symbool voor bestuurlijk wensdenken, financiële tegenvallers en wanbeleid.
Het wonder van de Noord/Zuidlijn beschrijft hoe dit alles kon gebeuren. De zeer onthullende reconstructie, gebaseerd op tientallen interviews en talloze geheime documenten, legt van binnenuit bloot hoe het kabinet alle risico’s bij Amsterdam neerlegde, de gemeente zich liet uitkleden door commerciële bedrijven, welgestelde bewoners de metro uit hun buurt weerden en ambtenaren en bestuurders tegen beter weten in heilig bleven geloven in de nieuwe metro. Dit boek is nu hier te bestellen voor €18.95 exclusief bezorgkosten.
Buurtwinkels
Buurtwinkels is het verhaal van fotograaf Eddy Posthuma de Boer. Als zoon van een filiaalhouder van kruidenier Van Amerongen vertelt hij hoe zijn vader de moordende concurrentie te lijf ging en uiteindelijk werd overgenomen door Albert Heijn. 
In het Amsterdam Museum is tot en met 21 augustus de tijdelijke tentoonstelling Buurtwinkels te zien. Buurtwinkels bestaat uit een tentoonstelling in het Amsterdam Museum en presentaties op twee locaties in de stad; in een winkelpand in de Van der Pekstraat 2 in Noord en in een Turks koffiehuis in de Javastraat 111 in Oost. Maar er is meer. Ook in het Theo Thijssen Museum en het Van Eesteren Museum zijn tentoonstellingen te zien over buurtwinkels.  In etalages van buurtwinkels of voormalige buurtwinkels door de hele stad zullen foto’s te zien zijn van winkels van vroeger en winkeliers van nu. Het boek is hier verkrijgbaar voor slecht €12,95 exclusief verzendkosten